Het Meta Model bestaat uit een verzameling taalpatronen met bijbehorende vragen bedoeld om specifieke informatie te verkrijgen en om de ander te helpen zijn wereldmodel weer met zijn concrete ervaringen te verbinden. Het herstelt de verbinding tussen taal en ervaring. Het Meta Model stelt je in staat om juist die woorden te kiezen die betekenis hebben op de 'kaart' van de ander en nauwkeurig te kunnen bepalen wat de ander met zijn of haar woorden bedoelt.

Het Meta Model is afgeleid van het werk van Virginia Satir. Het model geeft ons de mogelijkheid om weglatingen, generalisaties en vervormingen in onze taal te ontdekken. De oppervlakte structuur wordt weer verbonden met de diepte structuur.

Dieptestructuur en Oppervlaktestructuur

Om het Meta Model te begrijpen moeten we onderzoeken hoe onze gedachten worden vertaald in woorden. Een spreker heeft een compleet patroon in zijn hoofd van wat hij wil zeggen (eigen model van de wereld) we noemen dit de dieptestructuur. Hiervan is men zich niet bewust, de taal is op een heel diep niveau in ons zenuwstelsel aanwezig. Wat we in feite (hardop) zeggen wordt de oppervlaktestructuur genoemd.

Om van de dieptestructuur naar de oppervlakte structuur te gaan, doen we drie dingen:

  • Vervormen
  • Generaliseren
  • Weglaten

Het Meta Model bestaat uit een reeks vragen die tot doel hebben de weglatingen, generalisaties en vervormingen terug te vinden en te ontrafelen. De vragen zijn bestemd om de ontbrekende informatie aan te vullen, een nieuwe vorm te geven aan de structuur van wat wordt gezegd en om specifieke informatie tevoorschijn te brengen die de boodschap betekenis kan geven.

Taalpatronen Vervormingen


Taalpatroon Vraag Toelichting

1.  Gedachtelezen

Iemands gedachtepatroon denken te kennen.

Voorbeeld: "Je mag mij niet". 

Hoe weet je dat ik je niet mag?

Achterhaal bron van informatie.

2.  Eeuwige waarheid.

Het geven van waardeoordelen zonder degene die oordeelt te noemen.

Voorbeeld: "Koffie is slecht."

Volgens wie?Wie zegt dat dit slecht is?

Achterhaal de bron, waarheid, strategie van de overtuiging (verzamel bewijs).

3.  Oorzaak en gevolg (A>B).

Wanneer oorzaak ten onrechte buiten de spreker geplaatst wordt.

Voorbeeld: "Jij maakt mij verdrietig."

Hoe komt het dat wat ik doe veroorzaakt dat je kiest je verdrietig te voelen?

Op welke specifieke wijze?

Wat zou er moeten gebeuren dat dit niet leidt tot dat?

Achterhaal de keuze.

4.  Complexe equivalentie (A=B).

Twee ervaringen worden uitgelegd als zijnde een synoniem. Voorbeeld: "Ze schreeuwt altijd tegen mij, ze mag mij niet."

Hoe betekent het feit dat zij schreeuwt dat zij ...

Heb je ooit geschreeuwd tegen iemand die je graag mag?

In welk opzicht betekent dit het zelfde als dat?

Achterhaal complexe equivalentie.

Tegen­voorbeeld.

5.  Vooronderstellingen.

Voorbeeld: "Als mijn man wist hoeveel ik leed, zou hij dit niet doen." Drie vooronderstellingen:

(1) Ik lijd.

(2) Mijn man gedraagt zich op de een of andere manier.

(3) Mijn man weet niet dat ik lijd.

 

(1) Hoe kies je te lijden?

(2) Hoe is zijn reactie?

(3) Hoe weet je dat hij het niet weet?

 

Omschrijf keuze en werkwoord.

Specificeer wat hij doet.

Achterhaal interne representaties en complexe equivalentie.


Taalpatronen Generalisaties


Taalpatroon Vraag Toelichting

6.  Alles of niets uitspraken

Universele generalisaties zoals alles, iedere, nooit, iedereen, niemand, etc.

Voorbeeld: "Ze luistert nooit naar me."

Nooit?

Wat zou er gebeuren als ze wel luisterde?

 

Achterhaal tegenvoorbeeld, effecten of resultaten.

7.  Modale operatoren

a)  van noodzakelijkheid

Behoort (niet), moet (niet), het is (niet) nodig. 

Voorbeeld: "Ik moet voor haar zorgen."

b)  van (on)mogelijkheid

Kan (niet), zal (niet), misschien (niet), mogelijk, onmogelijk.

Voorbeeld: "Ik kan hem de waarheid niet vertellen."

Wat zou er gebeuren als je dit (niet) deed?

Of?

Wat let je?

Wat zou er gebeuren als je het deed?

 

Achterhaal effecten,  uitkomst of resultaat.

 Achterhaal oorzaken.


Taalpatronen Weglatingen


Taalpatroon Vraag Toelichting

8.  Nominalisaties

Proceswoorden en werkwoorden waarvan zelfstandige naamwoorden zijn gemaakt.

Voorbeeld: "Ik moet mijn communicatie verbeteren."

Met wie communiceer je?

Hoe zou je graag willen communiceren?

Keer ze om in een proces, achterhaal de weglating en referentie.

9.  Ongespecificeerde werkwoorden

Voorbeeld: "Hij heeft mij afgewezen."

Hoe heeft hij je precies afgewezen?

Hoe? Hoe specifiek?

Specificeer het werkwoord.

10.  Algemene weglatingen

A)  Algemene weglatingen

Voorbeeld: "Ik voel mij niet op mijn gemak."

B)  Uitspraak zonder referentie

Geen specifieke persoon of ding aangegeven.

Voorbeeld: "Ze luisteren niet naar mij."

C) Halve vergelijkingen

Goed beter best, minder, meest, minst, erger, ergst.

Voorbeeld: "Zij is een beter mens."

Waarover, over wie?

Wie luistert er precies niet naar jou?

 

Beter dan wie?

Beter dan wat?

Vergeleken met wie wat?

Achterhaal weglating.

Achterhaal referentie.

Achterhaal halve vergelijkingen.


Stuur me dit artikel per email in PDF formaat


Voornaam
Verkeerde invoer
Achternaam
Verkeerde invoer
Emailadres *
Het emailadres is onjuist of nog niet ingevuld.